In gesprek met de nieuwe voorzitter van de raad van toezicht: Marise Voskens

In gesprek met de nieuwe voorzitter van de raad van toezicht: Marise Voskens

 

We zijn verheugd dat Marise Voskens is toegetreden als voorzitter van de raad van toezicht van het Kenniscentrum Kinderpalliatieve Zorg. Wij heten Marise van harte welkom! In dit interview leest u meer over haar achtergrond en vertelt ze wat haar drijfveer is om zich in te zetten voor de kinderpalliatieve zorg.

Twintig jaar in het internationale bedrijfsleven
Marise’s loopbaan is niet in één hokje te plaatsen, maar het begon allemaal met een studie rechten: “Ik heb heel bewust rechten gestudeerd, omdat je leert om op een bepaalde manier te denken, analyseren en in de maatschappij te staan. Een studie rechten geeft je ook allerlei mogelijkheden om daar invulling aan te geven qua baan. Na een postdoctorale opleiding aan de London Business School heb ik de eerste twintig jaar in het internationale financiële bedrijfsleven gewerkt. Dat was heel interessant werk, maar ik wist dat ik het niet de rest van mijn leven wilde doen. Toen ben ik rechter geworden.”

Als kantonrechter midden in de maatschappij
“Rechter zijn is echt een fantastisch vak”, vertelt Marise. “Ik wilde per se kantonrechter zijn, omdat je dan met meerdere rechtsgebieden bezig bent. Je staat midden in de maatschappij en je hebt te maken met allerlei problemen. Denk hierbij aan mensen die in financiële problemen zitten, of onder bewind gesteld worden, huurconflicten, procedures van de kleine man of vrouw tegen grote financiële instellingen, burenruzies, arbeidsconflicten, strafzaken. Als kantonrechter sta je er bovendien alleen voor. Je moet meteen kunnen beslissen. In het vak is het dan ook belangrijk dat je snel kan analyseren en keuzes kunt maken.”

Culturele en sociaal-maatschappelijke betrokkenheid
Als voorzitter heeft Marise veel ervaring bij uiteenlopende organisaties: “Ik ben naast mijn werk altijd voorzitter geweest van besturen en raden van toezicht van culturele en sociaal-maatschappelijke instellingen. Zo ben ik bijvoorbeeld al jaren op de achtergrond betrokken bij kinderen met sikkelcelanemie en heb ik Emma-at-work geïnitieerd, dat nu al vijftien jaar (bij)banen voor chronisch zieke jongeren regelt. Toen ik voorzitter van de raad van toezicht van de VPRO en de Universiteit van Amsterdam werd ben ik teruggetreden als rechter, omdat deze functies veel tijd kosten. En ik wilde de kennis en ervaring die in mijn knapzak zitten op deze manier voor de maatschappij inzetten. Al die stichtingen waarbij ik betrokken ben (geweest) vragen ieder trouwens om een totaal andere aanpak. Je moet je echt verdiepen in de organisatie. Wat zijn de doelen, dromen, en ambities, wat is de interne cultuur, de manier van werken? Dat is overal anders. Je moet de flexibiliteit en het aanpassingsvermogen hebben om met een open blik naar een organisatie te kunnen kijken en in te kunnen zoomen op datgene wat er op dat moment nodig is.”

“Ik heb van dichtbij meegemaakt wat het betekent als een kind palliatieve zorg nodig heeft”
Toen Marise door het Kenniscentrum werd benaderd voor de functie van voorzitter van de raad van toezicht heeft ze geen moment getwijfeld: “Ik zei meteen ja. Dat komt omdat het onderwerp mij persoonlijk raakt. Nadat ik was gestopt met mijn werk in het bedrijfsleven werd mijn neefje geboren. Die bleek kanker in zijn hoofdje te hebben en is na dertien maanden overleden. Vrijwel dagelijks zat ik naast zijn bedje en probeerde ik er te zijn voor zijn broertjes en ouders. Het was niet mijn eigen kind of gezin, maar ik heb van dichtbij meegemaakt wat het betekent als een kind palliatieve zorg nodig heeft. Wat het medisch, sociaal, maatschappelijk en emotioneel gezien betekent, tegen welke barrières je aanloopt en hoe weinig men destijds (in 2003) bezig was met kinderpalliatieve zorg. Als een kind ernstig ziek is dan heeft dat effect op het hele gezin. Niet alleen op dat moment, maar ook in alle jaren daarna.”

Geïntegreerde en gezamenlijke aanpak
“Ik vind het heel belangrijk dat mensen ergens voor gaan en bevlogen zijn. Het bureau, de bestuurder, de leden van de raad van toezicht en alle belanghebbenden van het Kenniscentrum zijn heel bevlogen en begaan met het onderwerp. Dat is heel indrukwekkend. Daar word ik ook bescheiden van. Het is een voorrecht om in zo’n omgeving te mogen werken. Wat ik mooi vind aan het Kenniscentrum is de geïntegreerde en gezamenlijke aanpak van alle belanghebbenden. Er had ook een kenniscentrum kunnen ontstaan volledig gericht op bijvoorbeeld de medische kant van kinderpalliatieve zorg, maar het Kenniscentrum weet juist ook alle partijen die zich bezighouden met de emotionele, pedagogische, financiële, sociale, en maatschappelijke aspecten aan zich te binden. Dat is soms best moeilijk, maar ook noodzakelijk in deze context. Kinderpalliatieve zorg is namelijk alomvattend in wat er allemaal voor nodig is om de omstandigheden en het traject in betere banen te leiden.

Belangrijk is dat we het onbespreekbare bespreekbaar maken. Dat blijft nog steeds een noodzakelijk thema. We zijn al een stuk verder dan twintig jaar geleden, maar we zijn er nog niet. Als ik op mijn manier en met mijn kennis en ervaring een klein steentje kan bijdragen aan de kinderpalliatieve zorg dan doe ik dat maar al te graag, met grote inzet en met heel mijn hart.”